Archive for mei, 2010

Vijf jaar De nieuwe reporter

Kreeg een mailtje van Theo Dersjant, een van de mannen achter De Nieuwe Reporter. Of ik mijn mening wilde geven over deze site. Binnenkort bestaan ze vijf jaar en dat vinden ze een goed moment zich te bezinnen over hun bestaansrecht en hun aanpak.

 

Dit schreef ik:

 

Beste Theo

dank voor je uitnodiging input te leveren over de toekomst van DNR.

beginnen met een compliment, dat hoort zo geloof ik: ik vind DNR veruit de beste site voor debat over de toekomst van de Nederlandse journalistiek. En dan volgt meteen de relativering: andere sites zijn er naar mijn idee niet. Dat wil zeggen: een hoop journalisten en mediastrategen hebben natuurlijk hun eigen blog, maar wat ik goed vind aan DNR is dat ze probeert een soort centrum voor debat te zijn, waar al deze loslopende goeroes elkaar virtueel kunnen ontmoeten dan wel te lijf gaan.

Tegelijkertijd geloof ik dat jullie rubriek ‘best of the web’ – of hoe heette het ook alweer – opgeheven schijnt te zijn. Ten minste, ik zie het niet meer terug op de voorpagina van de site. En juist die rubriek had voor mij veel toegevoegde waarde. Jullie beoefenden daarmee een journalistieke kerntaak, namelijk de filtering en selectie  van het nieuws en bespaarden mij daarmee een hoop tijd. Nu moet ik het allemaal zelf uitzoeken…

DNR doet ook aan nieuws. Daarop zit ik niet te wachten; ik krijg dagelijks de nieuwsbrief van Villamedia in mijn mailbox, en dat is voor mij eigenlijk wel genoeg. DNR moet er wat mij betreft zijn voor verdieping, en dat mag nog wel iets meer zijn… De sectie Onderzoek vind ik erg interessant, maar daar wordt weinig gepubliceerd. Als DNR meer wil zijn dan een verzameling meninkjes (hoe belangwekkend ook), zou je eigenlijk op zoek moeten naar mensen uit de wetenschappelijke wereld die een pen kunnen vasthouden en interessant kunnen schrijven over hun vakgebied en hun nieuwe baanbrekende inzichten.

Ik realiseer me dat DNR een platform is voor debat over de toekomst van de Nederlandse journalistiek; toch zou het de moeite waard zijn de blik iets vaker over de grenzen te richten en te kijken hoe de journalistiek zich in vergelijkbare landen ontwikkelt. En als er verschillen zijn, waaraan die dan liggen.

Zo heb ik het zelf altijd heel interessant gevonden dat Nederland zo’n beetje het enige westerse land is waar de grootste nieuwssite niet is voortgekomen uit een journalistieke organisatie, maar van scratch af is opgezet. Ik heb daarover natuurlijk wel mijn ideeen hoe dat komt, maar ik zou het interessant vinden om over dit onderwerp een stukkie te lezen waarin ook de situatie in andere landen wordt beschouwd.

Helemaal aan de andere kant van het spectrum, het lokale, ligt ook een gat dat nog opgevuld kan worden. Hoe vangen gemeenschappen het wegvallen van hun lokale kranten op? Floreren lokale grass-roots initiatieven ineens? Of is daarvoor geen interesse?

En er is nog een thema dat jullie naar mijn idee enigszins verwaarlozen: de commercie. Verdienmodellen, online en offline.

Nou ja, je merkt dat ik eerder mijn pijlen richt op de onderwerpkeuze dan op de fundamenten van DNR. Dat is op zich al een compliment, lijkt me.

Succes en sterkte met DNR!

GJ

Reageren uitgeschakeld more...

Vrome boosheid over Facebook en Google

 

Stel je voor: vanaf morgen kun je niet meer pinnen wegens ontoereikend saldo. Hoe kan dat? Je hebt net je salaris overgemaakt gekregen. Je belt met de bank, die je laconiek meedeelt dat je rekening helaas over de kredietlimiet is heengegaan. Je wilt aangifte doen van diefstal bij de politie, maar daarvoor moet je je legitimeren. Je wordt opgepakt, omdat je plotseling een strafblad van hier tot Tokio blijkt te hebben. Maar je hebt nog nooit een vlieg kwaad gedaan! Terwijl je in de cel overdenkt hoe het zover heeft kunnen komen, bereikt je het bericht van de executeur dat hij je huis in opdracht van de bank heeft verkocht.
Dit is in een notendop de plot van  de  klassieker The Net, die woensdagavond weer eens op de televisie te zien was. De film stamt uit 1995, maar speelt heel modern in op de angst van de moderne mens voor het verlies van zijn privacy, sterker nog, zijn identiteit. Het thema is actueel: we geven steeds meer van onszelf weg op allerlei sociale-netwerksites zoals Facebook, Hyves en LinkedIn. We hebben er geen probleem mee dat we ons cv aan iedereen ter inzage geven, we twitteren dat we nu eindelijk zijn vertrokken op die lang verdiende vakantie, en op de autostrada tussen Bologna en Florence laten we het thuisfront via Hyves en Flickr meegenieten van het uitzicht.
Dat al die informatie in verkeerde handen terecht kan komen, interesseert ons blijkbaar geen biet. Of toch wel? Facebook heeft de afgelopen weken zwaar onder vuur gelegen omdat het bedrijf ongevraagd vertrouwelijke gegevens openbaar maakte van de deelnemers. Google moest door het stof omdat het bij het maken van foto’s ten behoeve van zijn Streetview-dienst ook de onbeveiligde netwerkgegevens van alle woningen die het passeerde opsloeg.
De vraag is waar we ons nou eigenlijk precies boos om maken. Kennelijk heeft dat alles te maken met het gevoel van controle. Zodra je zelf blogt, twittert, foto’s en video’s publiceert, kan alles. Je hebt de keus om al dan niet te publiceren. Waar we boos over worden is het verlies van zeggenschap; als de instelling waar wij onze data aan toevertrouwen (of dat nou Google is of Facebook) daar al dan niet bewust onzorgvuldig mee omspringt.
Onze samenleving wordt steeds transparanter, niet alleen online, ook offline. Op elke straathoek hangen camera’s. Bedrijven monitoren het emailverkeer en het surfgedrag van hun werknemers, scholen doen hetzelfde met hun leerlingen. Onze telefoonleveranciers weten hoe lang we bellen, en met wie. Ze zijn zelfs verplicht om die gegevens enige tijd te bewaren en zo nodig aan de autoriteiten ter beschikking te stellen. Als we digitale televisie hebben, weet de kabelboer welke zender we kijken. Dat laten we toe, en niet alleen omdat het opgeven van onze privacy helpt om misdaad en terrorisme te bestrijden. We laten het ook toe omdat het ons economisch voordeel kan bieden: we geven met plezier onze privégegevens prijs als ons dat een extraatje oplevert, al is het maar een minimale kans op het winnen van een Suzuki.
De woede over het gedrag van Facebook en Google doet dan ook vroom en schijnheilig aan. Een mooie anekdote ter illustratie: Facebook biedt webmasters een ok-knopje aan dat ze op hun eigen site onder hun artikelen kunnen plaatsen. Met een klik geven bezoekers zo te kennen dat het artikel goed vinden en laten dat meteen al hun Facebook-contacten weten. Kijk wat er gebeurde toen ReadWriteWeb, een grote site voor web-enthousiasten, een artikel publiceerde waarin melding werd gemaakt van de trend dat veel mensen hun Facebook wilden opzeggen. Het Facebook-ok-knopje werd bijkans stukgeklikt.
Web 2.0 goeroe Tim O’Reilly, die op deze contradictie wees, zegt dat het de taak is van web-uitvinders als Facebook en Google om af en toe fouten te maken. Deze bedrijven zijn opgericht om diensten te ontwikkelen waarvan de gebruikers in eerste instantie niet eens wisten dat ze die nodig hadden, maar die vervolgens wel razend populair blijken te zijn. Soms gaan ze te ver, dan worden ze teruggefloten. Dit proces hoort bij innovatie en is verre te verkiezen boven de heimelijke afluisterpraktijken van sommige overheden.
O’Reilly gaat wat ver, naar mijn  mening; maar het is wel evident dat we nog lang niet genoeg hebben nagedacht over de grenzen van onze privacy in deze brave new world van het internet. En ergens vind ik dat toch veel belangrijker dan de vraag of een enkele hacker erin slaagt om in te breken in de stemcomputers die bij verkiezingen wordt gebruikt. Iedereen mag weten wat ik stem. Maar mijn bel-, kijk- en klikgedrag houd ik eigenlijk liever geheim.

Stel je voor: vanaf morgen kun je niet meer pinnen wegens ontoereikend saldo. Hoe kan dat? Je hebt net je salaris overgemaakt gekregen. Je belt met de bank, die je laconiek meedeelt dat je rekening helaas over de kredietlimiet is heengegaan. Je wilt aangifte doen van diefstal bij de politie, maar daarvoor moet je je legitimeren. Je wordt opgepakt, omdat je plotseling een strafblad van hier tot Tokio blijkt te hebben. Maar je hebt nog nooit een vlieg kwaad gedaan! Terwijl je in de cel overdenkt hoe het zover heeft kunnen komen, bereikt je het bericht van de executeur dat hij je huis in opdracht van de bank heeft verkocht.

Dit is in een notendop de plot van  de  klassieker The Net, die woensdagavond weer eens op de televisie te zien was. De film stamt uit 1995, maar speelt heel modern in op de angst van de moderne mens voor het verlies van zijn privacy, sterker nog, zijn identiteit. Het thema is actueel: we geven steeds meer van onszelf weg op allerlei sociale-netwerksites zoals Facebook, Hyves en LinkedIn. We hebben er geen probleem mee dat we ons cv aan iedereen ter inzage geven, we twitteren dat we nu eindelijk zijn vertrokken op die lang verdiende vakantie, en op de autostrada tussen Bologna en Florence laten we het thuisfront via Hyves en Flickr meegenieten van het uitzicht.

Dat al die informatie in verkeerde handen terecht kan komen, interesseert ons blijkbaar geen biet. Of toch wel? Facebook heeft de afgelopen weken zwaar onder vuur gelegen omdat het bedrijf ongevraagd vertrouwelijke gegevens openbaar maakte van de deelnemers. Google moest door het stof omdat het bij het maken van foto’s ten behoeve van zijn Streetview-dienst ook de onbeveiligde netwerkgegevens van alle woningen die het passeerde opsloeg.

De vraag is waar we ons nou eigenlijk precies boos om maken. Kennelijk heeft dat alles te maken met het gevoel van controle. Zodra je zelf blogt, twittert, foto’s en video’s publiceert, kan alles. Je hebt de keus om al dan niet te publiceren. Waar we boos over worden is het verlies van zeggenschap; als de instelling waar wij onze data aan toevertrouwen (of dat nou Google is of Facebook) daar al dan niet bewust onzorgvuldig mee omspringt.

Onze samenleving wordt steeds transparanter, niet alleen online, ook offline. Op elke straathoek hangen camera’s. Bedrijven monitoren het emailverkeer en het surfgedrag van hun werknemers, scholen doen hetzelfde met hun leerlingen. Onze telefoonleveranciers weten hoe lang we bellen, en met wie. Ze zijn zelfs verplicht om die gegevens enige tijd te bewaren en zo nodig aan de autoriteiten ter beschikking te stellen. Als we digitale televisie hebben, weet de kabelboer welke zender we kijken. Dat laten we toe, en niet alleen omdat het opgeven van onze privacy helpt om misdaad en terrorisme te bestrijden. We laten het ook toe omdat het ons economisch voordeel kan bieden: we geven met plezier onze privégegevens prijs als ons dat een extraatje oplevert, al is het maar een minimale kans op het winnen van een Suzuki.

De woede over het gedrag van Facebook en Google doet dan ook vroom en schijnheilig aan. Een mooie anekdote ter illustratie: Facebook biedt webmasters een ok-knopje aan dat ze op hun eigen site onder hun artikelen kunnen plaatsen. Met een klik geven bezoekers zo te kennen dat het artikel goed vinden en laten dat meteen al hun Facebook-contacten weten. Kijk wat er gebeurde toen ReadWriteWeb, een grote site voor web-enthousiasten, een artikel publiceerde waarin melding werd gemaakt van de trend dat veel mensen hun Facebook wilden opzeggen. Het Facebook-ok-knopje werd bijkans stukgeklikt.

Web 2.0 goeroe Tim O’Reilly, die op deze contradictie wees, zegt dat het de taak is van web-uitvinders als Facebook en Google om af en toe fouten te maken. Deze bedrijven zijn opgericht om diensten te ontwikkelen waarvan de gebruikers in eerste instantie niet eens wisten dat ze die nodig hadden, maar die vervolgens wel razend populair blijken te zijn. Soms gaan ze te ver, dan worden ze teruggefloten. Dit proces hoort bij innovatie en is verre te verkiezen boven de heimelijke afluisterpraktijken van sommige overheden.

O’Reilly gaat wat ver, naar mijn  mening; maar het is wel evident dat we nog lang niet genoeg hebben nagedacht over de grenzen van onze privacy in deze brave new world van het internet. En ergens vind ik dat toch veel belangrijker dan de vraag of een enkele hacker erin slaagt om in te breken in de stemcomputers die bij verkiezingen wordt gebruikt. Iedereen mag weten wat ik stem. Maar mijn bel-, kijk- en klikgedrag houd ik eigenlijk liever geheim.

 

 

Reageren uitgeschakeld more...

Wat zijn we toch bekrompen…

… als een goeie verslaggever als Eva Jinek een baan wordt ontzegd vanwege haar relatie.

 

De oplossing was zo eenvoudig geweest: ben je bang voor belangenverstrengeling, haal haar dan van de zaak af waarbij haar partner (advocaat Moszkowicz) betrokken is en laat een ander daar verslag van doen.

Reageren uitgeschakeld more...

Links laat het liggen

Interessant onderzoekje van De Nederlandse Nieuwsmonitor deze week. Politieke partijen blijken in de praktijk een stuk linkser te zijn dan de berichtgeving in de media doet vermoeden. Voordat je naar de stembus gaat, op 9 juni, kun je dus maar beter een vergelijkende studie maken van de partijprogramma’s. Anders loop je het risico op de verkeerde partij te stemmen, eentje die eigenlijk te links is naar jouw smaak. De enige uitzondering lijkt het CDA te zijn; deze partij is iets rechtser dan de krantenkoppen doen vermoeden.

Belangrijkste oorzaak, volgens de onderzoekers: het publieke en politieke debat wordt gedomineerd door een thema dat als traditioneel rechts wordt gezien. De noodzaak om te bezuinigen wordt door alle partijen, inclusief de meest linkse van het stel (de SP) benadrukt. En bezuinigen, dat was toch eigenlijk een rechts stokpaardje? Bezuinigen op overheidsuitgaven betekent dat de belastingen omlaag kunnen en dat er meer ruimte in de economie ontstaat voor ondernemers.

Dat de lagere overheidsuitgaven op hun beurt allerlei collectieve voorzieningen in het gedrang brengen… ach, dat is een effect dat alle politieke partijen, ook de linkse, op dit moment wat minder benadrukken. En dus berichten de media er ook minder over. De crisis in Griekenland heeft dit effect nog versterkt, net als alle schrikverhalen die nu de ronde doen over het einde van de euro.

Op dit moment wordt het publieke debat gedomineerd door economische vraagstukken. Een paar jaar geleden hielden vooral problemen rond immigratie en allochtonen de kiezers in hun greep. Op die golf werd de PVV populair en kon Geert Wilders gloriëren. Het effect op de andere partijen was onmiskenbaar. Ze zagen zich gedwongen meer aandacht te besteden aan deze problemen en namen in meer of mindere mate delen van Wilders program over.

Dit is een bekend fenomeen dat door politicologen vaak is beschreven: in een democratische omgeving hebben radicale nieuwkomers op langere termijn vaak weinig kans van slagen. Als ze populair worden, zullen de gevestigde partijen delen van de radicale voorstellen overnemen en in hun eigen program incorporeren. Zo wordt de radicalen de wind uit de zeilen genomen.

Concreet: Nederland lijkt niet alleen rechtser geworden in de afgelopen jaren, het is ook echt zo. Als het gaat om allochtonen en integratie is het Nederlandse politieke spectrum naar rechts opgeschoven. De standpunten die je nu bij PvdA, GroenLinks en D66 ziet, kon je een paar jaar terug vermoeden bij CDA en VVD. En de VVD op zijn beurt heeft een deel van Wilders’ voorstellen overgenomen.

Hetzelfde geldt voor de economie. De programmawijziging die de PvdA deze week publiceerde (het vastleggen van 30 miljard aan bezuinigingen in plaats van 20 miljard), komt onder druk van de economische omstandigheden tot stand. Ook GroenLinks en de SP stellen bezuinigingen voor die een paar jaar geleden nog door diezelfde partijen als draconisch zouden worden afgedaan.

Conclusie? Links zit nog steeds in de verdediging, rechts valt aan en domineert het debat. Het ‘falen van paars’, lange tijd een bekend thema in de vaderlandse politiek, is het falen van de PvdA geworden. Dat VVD en D66 minstens zo belangrijke deelnemers aan paars waren, wordt voor het gemak vergeten. Dat de huidige financiële en economische crisis voor een groot deel het gevolg is van doorgeschoten liberalisering wordt in het politieke debat niet meegenomen. De puinhopen op het spoor, de wachtlijsten in de gezondheidszorg en de jeugdzorg: was de marktwerking op deze gebieden niet vooral een rechts thema? Is de dienstverlening van veel nutsbedrijven niet veel gebrekkiger geworden sinds hun privatisering?

De Nederlandse Nieuwsmonitor slaat de plank dus mis, wat mij betreft. Het imago van de politieke partijen is zo rechts als ze verdienen. Wat ik kwalijk vindt, is dat Femke Halsema, Job Cohen en Emile Roemer daaraan blijkbaar niks kunnen veranderen.

 

 

Reageren uitgeschakeld more...

Fantastisch programma, dat Beagle

Ik volg het hele televisieseizoen al met (veel) meer dan gemiddelde belangstelling het VPRO-programma In het kielzog van de Beagle. Zondagavond tien over negen, een half uur informatie van hoog niveau over ‘hoe de aarde er nu voorstaat’, uitgezonden vanaf de mooiste locaties op de wereld.

 

Voor wie het nog nooit heeft gezien: in Beagle wordt de zeereis van Charles Darwin nagebootst. Darwin, de grote theoreticus van de evolutieleer, voer halverwege de 19e eeuw de wereld rond op zoek naar bewijs voor zijn stelling dat het leven op aarde geleidelijk is ontstaan onder invloed van natuurlijke selectie. Het programma volgt Darwins sporen met het doel een inventarisatie te maken van het leven op aarde anno 2010. Welke bedreigingen en kansen zijn er? Hoe denken  mensen elders op de wereld over de (milieu-)gevaren die hen bedreigen?

 

Het schip waarop de reis van de Beagle wordt nagedaan is een fantastisch mooie clipper, Stad Amsterdam genaamd. Behalve de bemanning reizen er journalisten en kunstenaars mee, Darwin-kenners en andere wetenschappers. In elke aflevering laten gasten hun licht schijnen over het thema van die week. Dat levert over het algemeen hele mooie televisie op: vaak ontroerend, bijna altijd informatief, constant vermakelijk.

 

Maar waar ik nou echt helemaal niks van begrijp: dat de televisiekritiek dit programma helemaal niks vindt. Een paar weken geleden werd het programma gepasseerd voor de Nipkowschijf, de prijs van de televisierecensenten. Ik was stomverbaasd, want in de toelichting van de jury kwam aan de orde dat de heren de Beagle eigenlijk maar een slecht programma vonden, zonder kop of staart of samenhangend verhaal.

 

Ik had er nog nooit op die manier naar gekeken, maar daarom ben ik ook geen televisierecensent denk ik. Sindsdien heb ik geprobeerd met hun ogen naar het programma te kijken. Het lukt me niet. Ik blijf het mooi vinden.

Reageren uitgeschakeld more...

Rare woorden van Obama

Het kwam eerlijk gezegd wel een beetje uit de lucht vallen, de klacht van president Obama over de nieuwe media. Ik had een andere houding verwacht van een man die bij zijn aantreden als president strijd leverde met zijn staf om zijn Blackberry te mogen houden. Maar toch: in een toespraak op de Hampton Universiteit in Virginia hekelde hij de cultuur van de nieuwe media, de Ipads en Xboxen.

 

Letterlijk zei hij tegen de studenten: ‘Jullie worden volwassen in een media-omgeving die ons zeven keer 24 uur bombardeert met allerlei soorten informatie en die ons blootstelt aan allerlei soorten argumenten. Sommige nemen het niet zo nauw met de waarheid. Met iPods en iPads, Xboxen en Playstations wordt informatie steeds meer afleiding, eerder een vorm van vermaak dan een instrument tot emancipatie. Dit legt grote druk op jullie, maar ook op ons land en op onze democratie.’

 

Zijn klacht deed me denken aan die van koningin Beatrix in haar kersttoespraak. Zij benadrukte vooral hoe de nieuwe media de sociale contacten tussen burgers ondermijnt en mensen eenzamer kan maken. Beatrix hanteert een sociologisch, Obama een politicologisch perspectief.

 

Om meerdere redenen vind ik het moeilijk om te bedenken welk doel de Amerikaanse president voor ogen had toen had toen hij deze woorden uitsprak. Op de eerste plaats omdat hij zijn presidentschap ten minste voor een deel te danken heeft aan zijn slimme gebruik van al deze nieuwe media; hij was in ieder geval veel meer dan zijn rivaal John McCain in staat om het internet in te zetten om zijn eigen aanhang te mobiliseren en nieuwe supporters te verwerven.

 

Daarnaast gebruikte hij ook een vreemd forum om zijn speech te houden: voor een gezelschap van de best opgeleide en slimste studenten van Amerika die eigenlijk niet anders kennen dan deze ‘information overload’ waaraan Obama refereert. Als iemand in staat moet worden geacht om wijs te worden uit de gekmakende hoeveelheid informatie waaraan hij dagelijks wordt blootgesteld, dan is het wel een student van Hampton.

 

Maar er is ook een inhoudelijke reden waarom ik Obama’s woorden lastig te verteren vind. Stel dat we het internet niet konden gebruiken: dan had ik het voor mijn informatie voor dit stukje moeten doen met de weergave van zijn toespraak via de gebruikelijke, traditionele media. Die maakten zonder uitzondering melding van Obama’s tirade tegen de nieuwe media. Feitelijk maakte deze passage echter maar een klein onderdeel uit van de totale toespraak. Obama had het over veel meer, en vooral over de emancipatie van de zwarte bevolking via goed onderwijs; Hampton is een overwegend zwarte universiteit. Zeker tweederde van zijn speech ging hierover; slechts een klein deel handelde over de nieuwe media. Dankzij het internet heb ik mij dus een veel genuanceerder beeld kunnen vormen van Obama’s woorden.

 

En zo gaat dat vaak. Internet biedt iedereen de kans om dieper te graven dan de oppervlakkige berichtgeving waartoe veel traditionele media zich vaak noodgedwongen, uit ruimtegebrek, moeten beperken. Dat je bij dat graven vaak wordt afgeleid, absoluut. Dat merk ik dagelijks; de verleiding is groot om bij elke ping die een nieuwe mail aankondigt je Outlook te openen, en alle links op een interessante webpagina aan te klikken. Twitter en Messenger doen een continu beroep op je. Veelgebruikers leren al snel om vaste tijden in te ruimen voor mailen, twitteren en het vrije surfen op het web. Dat is een kwestie van gewenning, van leren omgaan met een nieuw medium.

 

Het internet een speeltje? Zeker, dat kan het zijn. Een gevaar voor de democratie? Integendeel. Het laat stemmen horen die we tot nog toe veel te weinig hoorden. En dat moet Obama toch ook beseffen.

Reageren uitgeschakeld more...

Persvrijheid heeft geen verdienmodel nodig

Mooie historische anekdote deze week van Ad van Liempt. Na de uitvinding van de boekdrukkunst wilde de aartsbisschop van Mainz onmiddellijk beperkingen stellen aan de verspreiding van het vrije woord. Alle drukwerk moest voor publicatie eerst aan hem worden voorgelegd.

 

Van Liempt haalt het verhaal aan in een betoog over de persvrijheid, die vooral zou worden bedreigd, meent hij, door de verslechterde marktpositie van de kranten. Helaas mist Van Liempt een andere historische parallel, waardoor hij een verkeerde les uit de geschiedenis trekt. Toen Gutenberg met zijn uitvinding kwam, was het niet alleen de clerus in de bisschopspaleizen die begon te steigeren, maar ook de collega’s in de kloosters. Die zagen immers een belangrijke bron van inkomsten bedreigd: het drukken van een boek gaat wel wat sneller dan het handmatig kopiëren van een tekst. Persvrijheid kon in die tijd bijna letterlijk worden genomen: de vrijheid om je drukpers te laten draaien, manuscripten te verveelvoudigen en te verspreiden.

 

Tegenwoordig moet persvrijheid veel meer worden opgevat als een metafoor voor vrijheid van meningsuiting. Persvrijheid bestaat in die landen waar mensen niet bang hoeven te zijn voor vervolging als ze hun mening uiten, hoe onwelgevallig ook. Met de komst van het internet, een nog moderner medium dan de drukpers, is het niet meer nodig om je mening op papier te zetten en daadwerkelijk af te drukken; het versturen van een email volstaat om een potentieel publiek van miljoenen te bereiken. Het is immers reuze gemakkelijk om gedigitaliseerde informatie – wat een email feitelijk is – te kopiëren en onbeperkt te vermenigvuldigen. Wie heeft er nog een drukpers nodig?

 

Mijn bezwaar tegen Van Liempts stelling is dat de markt helemaal niet ter zake doet in het bevechten of bewaren van persvrijheid. Persvrijheid heeft geen verdienmodel nodig; persvrijheid bestaat bij de gratie van de vrijheid van meningsuiting, en het vervolgens kunnen verspreiden van die mening. Persvrijheid bestond tot voor een paar decennia dankzij de journalistiek; zonder journalisten was het moeilijk om objectieve en betrouwbare informatie verspreid te krijgen.

 

Maar dat is voorbij; de persvrijheid kan heel goed zonder de journalistiek. Helaas voor de journalisten is het omgekeerde niet waar. Zonder persvrijheid wordt het journalistieke beroep uitgekleed tot een bestaan in de illegaliteit, dus in de marge.

 

Ik ben veel minder pessimistisch dan Van Liempt over zowel de persvrijheid (de vrijheid van meningsuiting dus) als over de journalistiek. Het internet maakt zijn democratische belofte waar: het is eenvoudiger dan ooit, voor wie wil, om zijn mening te verspreiden – met alle vervelende gevolgen van dien voor de machthebbers in politiek en economie.

 

Tussen scribenten in de 15e eeuw en krantendrukkers nu bestaat een belangrijke overeenkomst: beide beoefenen beroepen die door de techniek worden ingehaald. Maar zoals een monnik meer was dan een scribent, is een krantenuitgever meer dan zijn drukkerij. Kloosters overleefden omdat ze zich maatschappelijk nuttig bleven maken. Ook voor de krantenuitgevers, en meer specifiek, voor de journalistiek, is nog een belangrijke maatschappelijke rol weggelegd. Filtering, ordening, selectie, presentatie, analyse, synthese, het bieden van context: het kan allemaal op internet, maar de meeste consumenten van nieuws geven er toch nog de voorkeur aan om al deze functies ingevuld te zien onder de vlag van een titel als Volkskrant of NRC of Trouw. Want in alle pessimisme over de toekomst van de kranten gaan we er te gemakkelijk aan voorbij dat de meeste titels in Nederland nog nooit zo’n hoog bereik hadden als nu.

 

Als de relevantie van journalistiek wordt afgemeten aan het aantal mensen dat zijn bereikt, dan was de journalistiek nog nooit zo relevant.

 

 

Reageren uitgeschakeld more...

  • Welkom bij Raker

    Raker is de internetonderneming van Geert-Jan Bogaerts. Ik ben journalist, blogger, columnist, docent aan de Universiteit van Groningen, webontwikkelaar. Ik geef advies, training en workshops over het gebruik van nieuwe media, ontwikkel zelf websites, en schrijf columns en blogs.

    Voor meer achtergrondinformatie kunt u de brochure bekijken. Daarin vindt u uitgebreide informatie over Raker, mijn visie en mijn werkwijze.

    Twitter Volg me op Twitter
    LinkedIn Bekijk mijn LinkedIn profiel

  • Zend Certified

    Zend Certified EngineerLos van mijn journalistieke en inhoudelijke achtergrond, heb ik als Zend Certified Engineer ook een technische insteek. Ik weet niet alleen wát er werkt op internet, ik weet ook hóe het werkt.

    Ik houd sinds kort ook een technisch weblog bij, over PHP, JQuery, het Zend Framework en alle andere zaken waar ik in mijn programmeerwerk tegenaan loop.

  • Getweept

  • © 2005-2012 Raker. Ingeschreven bij KvK 32167734. BTW-nr NL163952620B01
    iDream theme by Templates Next, aangepast door Raker. | WordPress